Artikel 'De kunsten in een legitimatiecrisis'

 

De kunsten in een legitimatie-crisis

Door Fenneke Wekker, 12-06-2011

 

Deze week kondigde staatssecretaris Zijlstra de maatregelen af waarmee hij 200 miljoen euro wil  bezuinigen op de Kunstensector. Vooral het theater en de beeldende kunsten worden zwaar getroffen. Binnen de sector heerst een hevige verontwaardiging (door mij als theatermaker/toneelschrijver ook intens gevoeld) over het ijzige klimaat dat er in Nederland ontstaan is. HOE  heeft het zo ver kunnen komen? Wat bezielt ons kabinet, onze kiezers, ons land, dat het bereid is een belangrijk en bloeiend deel van onze kunstensector met het badwater weg te gooien? In dit artikel wil ik met de (betrekkelijke) afstand van een socioloog kijken naar historische patronen en theorieën die de huidige crisis in de kunsten mogelijk kunnen verklaren. Misschien geeft het ons een houvast om te begrijpen in welke chaos we terecht zijn gekomen en hoe er een uitweg te vinden is.

 

Overheidssubsidie voor de kunsten is nog niet zo’n oud fenomeen in Nederland. Pas na de Tweede Wereldoorlog nam dit een vlucht vanwege de ‘vormende waarde van schoonheid’ (Oosterbaan Martinius, 1990) die de Nederlandse burgers moest beschermen tegen de opkomst van de massacultuur. Tot de jaren tachtig stelde o.a. het Kabinet Den Uyl zich de taak om, via de kunsten, bij te dragen aan het welzijn van al haar burgers. Daarna keerde het tij. De overheidsuitgaven moesten vanwege de oliecrisis ingedamd worden en onderzoek liet zien dat het cultuurbeleid “utopisch” was geweest (in de woorden van toenmalig minister Brinkman) en dat de lagere klassen nooit bereikt waren. Het kunstbeleid in de jaren tachtig richtte zich vooral op ‘kwaliteit’ en ging ervan uit dat kunst niet voor iedereen toegankelijk wás en ook niet hoefde te zijn. Burgers ‘verheffen’ werd overgelaten aan de welzijnssector. In de jaren negentig verlegde het speerpunt zich naar participatie van jongeren en allochtonen. Deze groepen maakten nauwelijks gebruik van het culturele aanbod en ook de sector zelf was geen afspiegeling van de multiculturele samenleving. De bestaande kunstinstellingen kregen extra geld als zij aan de doelstellingen van dit nieuwe beleid voldeden (SCP, 2005).

De recente geschiedenis laat zien dat de multiculturele samenleving tot ‘mislukt’ is verklaard en dat een nieuwe financiële crisis de overheid opnieuw dwingt drastisch te bezuinigen. Het grote verschil met de jaren tachtig is alleen dat zich nu de legitimiteitsvraag voordoet: moet de overheid überhaupt nog wel aan kunst bijdragen? Het voornaamste argument van het huidige kabinet om zich gedeeltelijk uit de sector te willen terugtrekken, is dat het niet langer verantwoord is deze “linkse hobby” uit collectieve gelden te bekostigen.

 

Volgens de theorie van de crisis-retoriek van Kuipers (2006) is een crisis geen objectief gegeven, maar een “doelbewust gecreëerd beeld […] om ingrijpende verandering in een sector mogelijk te maken”. Dit crisisbeeld komt tot stand doordat veranderingsgezinde politici de legitimiteit van de betreffende instituties aan de orde stellen, de schuld van de crisis neerleggen bij de verdedigers van de bestaande situatie en er een beroep wordt gedaan op het nemen van verantwoordelijkheid. Als het ontstane beeld vervolgens omarmd wordt door andere besluitvormers, de media, belanghebbenden en kiezers, kan een sector ingrijpend veranderd worden (Kuipers, 2006). Deze theorie is bij uitstek toepasbaar op de crisis in de kunstensector. Door een steevaste en aanhoudende aanval van gedoogpartner Wilders op kunst als “linkse hobby”, door de verdedigers ervan af te schilderen als theedrinkende geitenwollensokken en door te hameren op het feit dat geld voor de kunsten níet besteed kan worden aan demente ouderen, heeft hij de legitimiteit van de kunstensector een flinke slag toegebracht. Door de bijval van het kabinet, de kiezers en de aandacht in de media is de crisis een feit geworden en zijn de consequenties levensecht.

 

Waarom die behoefte van Wilders om,  als ‘woordvoerder van het volk’ zoals hij zichzelf graag profileert, de kunstensector te willen de-legitimeren? Het antwoord ligt misschien in het werk van de socioloog Bourdieu. Volgens hem is de scheiding tussen ‘hoge’ en populaire kunst geschapen door de elite, zodat zij zich kon onderscheiden van het volk (Bourdieu & Passeron 1977,1979).  Ook DiMaggio laat zien hoe in Amerika rijke industriëlen bewust kunstinstellingen oprichtten om status te verwerven. Het mystificeren van kunst en de kunstenaar speelde hierbij een grote rol: als iets te makkelijk bereikbaar en toegankelijk was voor iedereen, verdween de exclusieve waarde ervan. Het maken van kunst is sinds die tijd impliciet gericht gebleven op het uitsluiten van het “gewone” volk (DiMaggio, 1982 [1991]). De overheid heeft decennialang juist deze kunstvormen ingezet om het volk te verheffen, het algemeen welzijn van burgers te bevorderen en groepen die niet tot de elite behoorden, aan te sporen tot participatie in deze kunstvormen. Deze publieke missie “maakte het [voor culturele instellingen] mogelijk om te claimen (en te geloven) dat zij collectieve doelen nastreefden”, terwijl zij in wezen kunst maakten die steeds minder toegankelijk werd voor de overgrote meerderheid van de burgers  (DiMaggio,1982 [1991).

Alle inspanningen van de overheid en de sector ten spijt heeft het gros van de samenleving nooit geparticipeerd aan de ‘hoge’ kunsten. De sector zelf is een elitaire aangelegenheid gebleven. In die zin komen de onderbuikgevoelens van Wilders’ achterban, dat deze kunst niet van en vóór hen is, dus niet uit de lucht vallen.

 

De kunstensector wordt nu gedwongen om te reflecteren. Willen we die elitegroep zijn, die zich van het gros van de samenleving onderscheidt (en afscheidt), door ons te profileren met exclusieve vormen van kunst? En waarom niet? De schoonheid van ‘goede’ kunst heeft een onschatbare waarde en het maken en consumeren ervan geeft werkelijk het gevoel onderdeel te zijn van een exclusieve wereld waarin meer te vinden is dan de waan van alledag. Kunstenaars en instellingen die dit willen uitdragen zouden zich niet meer moeten verschuilen achter doelstellingen die pretenderen bij te dragen aan het bevorderen van sociale cohesie, het bereiken van een breed en divers publiek en het opvoeden van de jeugd. Want wie zijn wij om dat, als exclusieve groep, te doen? Overheidssubsidie zou voor deze kunstvormen dan inderdaad gezien kunnen worden als een mooie extra.

Voor de kunstinstellingen die werkelijk en oprecht geworteld willen zijn in de samenleving en op die grond aanspraak willen maken op collectieve gelden, is er pas echt werk aan de winkel. Allereerst zou in die sector de scheiding tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur moeten worden opgeheven, zodat kunst niet meer als splijtzwam werkt maar als bindende factor (zie Bourdieu, 1977, 1979). Deze instellingen zullen zich stevig moeten afvragen met welke reden ze kunst maken en wiens kwaliteitscriteria ze hanteren. Als hier toch ‘stiekem’ verheffende gedachten bij zitten, zou daar achteraan de vraag moeten komen: wie verheft wie? Pas als kunstenaars en instellingen bereid zijn inclusief te werken en zich, op hun beurt, te laten verheffen door ‘het volk’, kunnen de kunsten zich een weg banen uit de legitimatiecrisis waarin ze nu verzeild zijn geraakt.

 

© Fenneke Wekker (theatermaker/-schrijver en deeltijdstudent Sociologie aan de UvA)

 12-06- 2011, Amsterdam

 

 

Reacties zijn zeer welkom. Zie het tabblad 'reacties op dit artikel' hiernaast. Dank!

 

Inloggen
Fenneke Wekker; Theater -Tekst & Advies - site by site by Kant en Klare site uw eigen unieke website!