Essay 'Waarom is Negerdag niet grappig?'

 

Waarom is ‘Negerdag’ niet grappig?

Door Fenneke Wekker

07-10-2012

Verschenen in Komproe, H. (2013) De grens van de grap; Alle dyugudyugu rondom #Negerdag. Amsterdam: Atlas/Contact.

 

Wat maakt een grap grappig? Waarom werkt bij de één een grap enorm op z’n lachspieren, terwijl bij een ander het lachen ‘vergaat’? De situatie in de sociale media rondom 9 maart-‘Negerdag’ 2012 liet zien dat één grap zeer tegengestelde reacties kan oproepen. Een grap is blijkbaar niet persé grappig, ten minste niet voor iedereen. Maar waarom niet?

Een grap is niet zomaar iets. Een grap overschrijdt grenzen, normatieve grenzen. Iets wordt grappig omdat het eigenlijk niet ‘kan’, omdat het ‘raar’ is, niet zoals we ‘normaal’ gewend zijn. De heersende normen, die vaak onuitgesproken aanwezig zijn binnen een (sub-)groep of samenleving, bepalen of een grap grappig wordt of niet. Hoe vanzelfsprekender een norm, hoe meer een grap op de lachspieren kan werken wanneer die norm overschreden wordt. Men is zich van zulke normen namelijk vaak nauwelijks bewust. Een goeie grap die op de lachspieren werkt confronteert je op een speelse manier met het onzichtbare, sociale keurslijf waar we ons dagelijks in bevinden[1].

Persoonlijk heb ik hard gelachen om ‘Negerdag’. Het idee dat je, als witte Nederlander, een ‘neger’ zou willen zijn en de dingen die je dan éindelijk mag doen, zoals een gouden tand dragen en eerst bij je buitenvrouw langs gaan voor je naar je werk gaat, refereerden bij mij blijkbaar aan iets dat zo ‘raar’ is, dat de tranen er van over m’n wangen liepen. Waarom?

Shockeren

‘Negerdag’ overschreed duidelijk twee normen; de norm “het woord ‘neger’ gebruik je niet om een zwart persoon aan te duiden” en de norm “je mag geen vooroordelen uiten over mensen die je niet kent”. Het voert te ver om hier in te gaan op hoe deze normen ontstaan zijn, maar in een postkoloniaal en naoorlogs Nederland is het een feit  dat juist deze twee normen vandaag de dag zeer gevoelig liggen.

Op de facebook-pagina van Howard Komproe zijn, naast een aantal positieve reacties, vooral veel geschokte reacties te lezen. In één reactie wordt Howard gewezen op de plicht die hij heeft naar zijn voorouders toe. Deze grap getuigt, volgens de auteur, van grote ‘domheid’ omdat hij over de rug van slaven gemaakt wordt. Veel reacties, van met name zwarte mensen, kunnen in hetzelfde licht gelezen worden; Over het ‘N-woord’ máák je geen grappen, omdat dit nog steeds wordt gebruikt door witte Nederlanders om zwarten te denigreren en discrimineren.  De norm “het woord ‘neger’ gebruik je niet” is volgens deze auteurs blijkbaar nog niet vanzelfsprekend genoeg is en wordt nog niet voldoende nageleefd in de Nederlandse samenleving. De grap wordt door hen dus ook niet lachwekkend gevonden. Sterker nog, Howard wordt actief opgeroepen om de normen te bestendigen en die niet met ‘stomme grappen’ onderuit te halen.

Het feit dat ik de grap leuk vond, zegt wellicht iets over mijn positie als ‘halfbloed’ (mijn vader is Surinamer, mijn moeder Nederlandse). Voor mij voelt de norm dat je zwarten geen ‘neger’ noemt en geen vooroordelen naar hen koestert als heel normaal. Ik leef ook in een omgeving waar die normen breed gedeeld en nageleefd worden. Ik kom soms een witte Nederlander tegen die het woord ‘neger’ gebruikt en betrap me er dan op dat me dat zeer ergert. Het feit dat Howard de grap maakt vind ik prima. Van iemand als Hans Teeuwen had ik dit waarschijnlijk niet geaccepteerd… Waarom niet? Blijkbaar zou ik in dat geval ook van mening geweest zijn dat de norm nog verder bestendigd moest worden en het als een verkapte vorm van racisme hebben opgevat. De norm die ik onbewust hanteer en deel met zwarte mensen is dus blijkbaar dat ‘wij’ zélf wel het ‘N-woord’ mogen gebruiken.

Groepsgrenzen

Dit brengt mij op het volgende aspect van grappen-maken: het trekken van sociale grenzen tussen groepen. Wie een grap leuk vindt, ‘hoort’ op een bepaalde manier bij een groep of sociale laag, die dezelfde normen hanteert[2]. Reacties op internet als “Howard, waar ben je mee bezig?!” of “Ik had dit eerder van een WITTE verwacht!” laten heel mooi zien dat die groepsgrenzen duidelijk bestaan. De auteurs op internet lijken te zeggen: ‘Howard, ik dacht dat je in mijn groep zat, dit soort grappen maken ‘wij’ niet…’. Maar Howard begeeft zich op glad ijs, hij verkent de groepsgrenzen, geeft aan zich op het snijvlak te begeven tussen ‘witten’ en ‘zwarten’ en laat zich niet tot ‘wij’ maken. Puur door het maken van ‘de Negerdag-grap’ heeft Howard, in navolging van Brian Hirman, mijns inziens vlijmscherp duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar de normen over het gebruik van ‘neger’ en het ‘uiten van vooroordelen’ in Nederland nog zijn. Alleen daarom al is het van groot belang dat deze grappen gemaakt worden, juist om te laten zien hoe we er eigenlijk aan toe zijn in dit land.

Pas als deze normen zo ‘normaal’ zijn dat niemand het meer in z’n hoofd zou halen een zwarte Nederlander ‘neger’ te noemen en vooroordelen te uiten over deze groep, pas dan zullen we er met z’n allen hartelijk om kunnen lachen. Maar aan de andere kant, lachen we niet alleen als iets een beetje pijn doet?

“Negerdag’ was geen slechte grap, hij was pijnlijk goed. De uiteenlopende reacties laten zien dat de normen,  waaraan de grap refereert, volgens een deel van de mensen nog niet sterk genoeg werken. Bewust of onbewust hebben Brian en Howard zichtbaar gemaakt hoe hard we als collectief nog moeten werken aan het openbreken van de groepsgrenzen tussen zwarte en witte Nederlanders en dat we nog niet heel ver zijn met het loslaten van onze wederzijdse  vooroordelen.



[1] Kuipers, G. (2006), Goede humor, slechte smaak. Berlijn: Walter de Gruyter.

[2] Idem.

 

Inloggen
Fenneke Wekker; Theater -Tekst & Advies - site by site by Kant en Klare site uw eigen unieke website!